Overlentenen

    De zon scheen door een kleine kier tussen de gordijnen in de kleine kamer. Als je de gordijnen zou openen en je neus tegen de ruit zou drukken, zou je nog net een stukje van de Keizersgracht kunnen zien. Hij was dolblij met zijn kamer in het centrum. Het maakte zijn kamer tot de uitvalsbasis van alles. Opdrachten werden op zijn kamer uitgevoerd. Het was het begin-en eindpunt van elke kroegentocht en als iemand even iets kwijt wilde, voor hij verder door de stad trok, kwamen ze altijd even bij hem langs gewipt. Deze kamer zorgde ervoor dat hij de spil was waarom het leven van menig medestudent draaide.

    Hij had er lang naar uitgekeken om in de grote stad te gaan studeren. Weg uit dat bekrompen dorp in de Betuwe waar iedereen elkaar kende en waar hij als zoon van de huisarts geen biertje kon drinken zonder dat iedereen er schande van sprak. Hij wilde naar Amsterdam en hij zou nooit meer terugkomen.

    Maar nu was het weer lente. De enige tijd van het jaar dat hij blij was als hij de trein naar zijn ouders weer kon nemen. Hij had nooit gedacht dat hij zijn geboortedorp zo kon gaan missen. Nu stonden alle fruitbomen zo prachtig in bloei. Hij hield van de zoete geur die van de bomen af kwam. En hij vond het een prachtig gezicht als het een paar weken later weer begon te sneeuwen. Bloesemblaadjes, wel te verstaan. Natuurlijk, de spaarzame bomen langs de grachten deden hard hun best om er nog wat van te maken, maar de lente toonde zich hier toch vooral met overvolle terrassen. Hij vroeg zich af waar al die mensen opeens vandaan kwamen. Het was alsof de stad bij stijgende temperaturen mensen produceerde, zoals het lichaam rode bloedlichaampjes maakte als het zuurstofgehalte van de lucht afnam. De eerste lente in Amsterdam was hij met zijn vrienden meegegaan naar het terras, maar hij kon er niet aan wennen dat de lente er hier zo uit zag. Hij voelde zich een toneelspeler bij het verkeerde stuk. Het decor klopte niet en hij wist niet welke tekst van hem verwacht werd. Hij probeerde af en toe te improviseren, maar dat zorgde er eigenlijk alleen maar voor dat hij zich nog meer verloren voelde in en wereld die niet de zijne was. Daarom sloot hij zich op in zijn kamer. Gordijnen dicht tegen de zon. Te druk met studeren om met vrienden de stad in te trekken. Op deze manier was de lente uit te houden. In de zomer ging het wel weer. Dan werd de stad zinderend. Dan waande hij zich soms in Rio de Janeiro. Deze maanden moest hij overbruggen. Overlentenen, zou je het kunnen noemen.

    Hij veegde het haar uit zijn gezicht. Het voelde klam aan. Het was eigenlijk te warm om zijn jas tot bovenaan dicht te hebben. Toch wilde hij zich niet ontdoen van de huls die hem beschermde als hij zijn kamer moest verlaten. Hij was voor het eerst sinds weken weer eens op weg naar de universiteit. De rest van het jaar was hij aanwezig bij elk college, ook de meest saaie. Nu kwam hij zo min mogelijk op straat. Maar hij kon niet eeuwig wegblijven en toch goede cijfers blijven halen. Daarom had hij zich vandaag maar weer buiten de deur gewaagd. Deze keer zou hij de metro nemen. Hij was een fervent fietser. Zelfs als het ijzelde en zijn handen bijna aan het stuur vast vroren stapte hij op zijn opgelapte stadsbrik. Hij vond het prettig om wat lichaamsbeweging gehad te hebben voor hij stil ging zitten in de collegebanken.

    Hij sleepte zichzelf de trap van het metrostation af. Koelte, neonlicht, de ranzige lucht van wildplassers, net wat hij nodig had. Hier was het decor altijd hetzelfde. Hij ging op een bankje zitten wachten tot de sneltram het station binnen reed. Hij keek naar de mensen op het perron alsof het dieren in Artis waren. Verderop was het baltsgedrag van bankemployees mooi waar te nemen. Een plakkerige dakloze had zijn nest gebouwd op een bankje verderop. Er liepen apen, beren en pinguins ongeduldig op en neer tot ze in hun transportkooi konden. Het begon als een boosaardige observatie, maar hij merkte dat hij er lol in kreeg om het leven door de ogen van een bioloog te bekijken. Misschien was het leven in de stad toch zo vervelend niet.

    In de sneltram had hij de plaatsen nog voor het uitzoeken. Hij ging met zijn rug in de rijrichting zitten. Uit ervaring wist hij dat hij dan langer een bankje voor zichzelf alleen had. In elke vorm van openbaar vervoer voltrok zich hetzelfde patroon. Eerst ging op ieder bankje een persoon zitten, dan gingen de mensen naast een andere persoon zitten met hun gezicht in de rijrichting zitten, dan pas waren de overgebleven plekken die andersom gesitueerd waren aan de beurt.

    Een vrouw in een kanariegele jas ging naast hem zitten met haar rug naar hem toe. Haar benen strekt ze uit in het gangpad waardoor de mensen die passeerde er onhandig overheen moesten stappen. Boosaardige blikken schoten haar kant op. Ze leek het niet te merken. Aan haar achterhoofd kon hij het niet goed zien, maar hij schatte haar een jaar of vijfentwintig. Ze tetterde in haar telefoon alsof het een blikje aan een touwtje was waarmee je vroeger je vriendjes toesprak, zo hard dat ze je ook wel gewoon konden verstaan. Ze belde iemand op om iemand mede te delen dat een zekere Mark het weer gedaan had. Mark was kennelijk haar vriendje, maar wat het was werd niet helemaal duidelijk. Het interesseerde hem ook niet. Als hij een vriendin had die zulke gele jassen zou kopen, dan zou hij het misschien ook wel doen. Hij hield niet van primaire kleuren. Mensen met primaire kleuren aan drongen zich aan je op. Je deed bijna zelf een stap achteruit als zo'n persoon naast je kwam staan.

    De metro was onder de grond vandaan gekomen. Ook het gesprek van het meisje was op ander terrein beland. Iets met een feest waar ze geweest was om de zekere Mark te vergeten. Al even oppervlakkig en dom. Inmiddels had ze zich naar hem toe gedraaid waardoor hij haar beter kon bekijken. Haar gezicht had de ronde vormen die er waarschijnlijk voor gezorgd hadden dat ze als kind door iedereen schattig gevonden werd, maar die niet meer helemaal paste bij de jonge vrouw die ze nu was. Nu was ze niet echt knap te noemen. Ook niet heel erg lelijk. Maar zeker niet knap. Geel stond haar ook helemaal niet. Niet dat hij nou zo'n modekoning was, maar hij zag dat haar jas haar nog bleker maakte dan ze al was. Doordat ze haar ogen vrij zwaar opgemaakte had, leek haar gezicht op een laken waar gaten in geknipt waren voor de ogen. Niet mooi.

    Het telefoongesprek was afgerond. Hij zag dat de vrouw haar best deed om nonchalant uit het raam te staren, maar dat haar bik steeds zijn richting in getrokken werd. Om te controleren of zij nog naar hem keek, vloog zijn blik steeds haar richting in. Hierdoor ontstond een kat- en muisspel van blikken.
    "Heb je het niet warm in die dikke jas?" Ze had de spanning doorbroken met de vraag die kennelijk al de hele tijd op haar lippen had liggen branden. Haar stem klonk veel zachter en vriendelijker dan daarnet toen ze door de telefoon aan het praten was.
    "Voel jij je geen citroen in die gele jas?" Het flapte er zomaar uit. Schuchter keek hij opzij of ze de grap kon waarderen. Een blik van cartooneske verontwaardiging sierde haar gezicht. Het stond haar goed.
    "Ik hou niet zo van de lente." Waarom vertelde hij dat aan deze vrouw? Wat had zij daar mee te maken? Ze keek hem schalks aan. misschien was ze bezig te bedenken hoe ze zo snel en pijnloos van mij af kon komen. Anders was ze misschien aan het broeden op een opmerking die grappiger was dan zijn citroen. Hij hoopte het laatste.
    "Ik hou niet van donkerblauw" Hij lachte ondanks dat hij het helemaal geen grappige opmerking vond.
    "Ga jij ook vreemd in de lente?" vroeg ze alsof het de normaalste zaak was. Hij keek haar niet begrijpend aan.
    "Mijn vriend heeft...Herstel mijn ex-vriend had daar zo'n last van. Zodra de blaadjes aan de bomen kwamen, stortte hij zich in de armen van een of ander huppelkontje. Ik dacht, als je niet van de lente houdt, dan zoek je misschien afleiding bij de vrouwtjes."
    "Ik ben nog nooit goed gegaan in de lente, dus ik kan ook niet vreemd gaan." Samen lachten ze tot de tranen in hun ogen stonden.

    Het was een volkomen onzinnig gesprek. Hij betaste zijn donkerblauwe jas. Kennelijk had hij onbewust de ritssluiting een stuk open gemaakt. Het lipje zat halverwege en niemand anders had het kunnen doen. Hij had zich voor deze vrouw, die hij voor zover hij wist nog nooit gezien had letterlijk en figuurlijk een stukje bloot gegeven Hij was bij de halte Amstelveense weg. Hier moest hij de metro uit. Hij zwaaide nog naar de vrouw terwijl de metro verder reed. Waarschijnlijk verdween ze hierna weer voorgoed uit zijn leven. Misschien zag hij haar nog een keer.

    Hij liep het metrostation uit en merkte dat hij moeite moest doen om niet te gaan huppelen. Amsterdam in de lente kon ook mooi zijn.